De eerste editie van de kennis- en netwerkbijeenkomsten over ‘Wat Groen Kan doen’ is in goede aarde gevallen.
Bert Ramakers, directeur Stichting Ophovenerhof vertelde over de zorg en het kleinschalig wonen in het groen. Zorgen voor planten en dieren laat zorgcliënten van betekenis zijn voor hun omgeving. Astrid Verblakt, directeur CNME Maastricht deelde een mooi project met ons; de Groene Poort Oost in Maastricht, waar biodiversiteit, buiten spelen en Natuur- en MilieuEducatie elkaar versterken. Hugo Voortman, van Tuinen van Zuid nam ons mee naar de wetenschappelijke wereld van de Groene zorg en ecosociaal werk. Séverine Louf, van De Rollen lichtte de vergroeningsbloem toe. Haar collega Lianne van Tilburg inspireerde met haar verhaal over Hoofd, Hart en Handen. Natuurcoach Petra Konte legde uit wat wandelen in het groen kan losmaken.

Na een heerlijke wandeling vol verwondering sloot schrijver Toon Roumen af met een bijzonder verhaal, geïnspireerd op deze dag:
Het kon niet anders: iemand hield me voor de gek.
We stonden tussen wat oude, Limburgse bomen en ik had twee keer mijn naam gehoord, een ietwat hoge stem – in de verte, maar helder. Toen ik me omdraaide, zag ik niets. Ja, wat ambtenaren en beleidsmakers, een enkele verdwaalde politicus. Geen van hen leek mij geroepen te hebben.
Het gebeurde een derde keer, ik merkte dat ik geïrriteerd werd. Ook dat nog. Ik bedoel: eerlijk gezegd had ik wel wat beters te doen. Natuur en duurzaamheid, natuurlijk, van groot belang, maar op vrijdagmiddag …? Maar goed, ik wil zo nodig schrijven – dan kun je het krijgen ook. Luieren, met een boekje in mijn vorige week heerlijk strak betegelde achtertuin, dat doe ik later wel weer. Afspraak is afspraak: ik wandel wel mee, ik maak er wel een aardig verhaaltje van. Maar dan moeten de mensen me wel mijn werk laten doen, me niet onnodig lastig vallen met dit soort kinderachtige ongein.
Ik besloot me nog één keer om te draaien. Daarna stikten ze er maar in, die lui.
Weer niks.
‘Boven!’ hoorde ik nu. Ik richtte mijn blik omhoog, liet hem als vanzelf rusten op een tak met daarop een uit de kluiten gewassen vogel. Groen-rood, zo groot als een flinke kat. Die vogel – ik geloofde het niet, maar toch was het zo – richtte zich tot mij. Hij wenkte me met zijn vleugel. ‘Kom!’ zei hij.
‘Wat …’ begon ik, ‘ja, ik, eh, ja … ik, ik ben hier aan het werk. Een soort van, zeg maar. Ik kan hier nu toch niet weg?’
‘Alles kan,’ zei de vogel, klapte één keer met zijn vleugels en de wind hield zich stil, twee keer en alle geroezemoes verstomde, drie keer en ik kneep mijn ogen stijf dicht.
‘Wat de hel,’ zei ik een paar seconden later toen ik naar beneden keek. Tot mijn enkels stond ik in een kleine, smaragdgroene vijver. Reflexmatig stapte ik eruit, het oevertje op. Gras, modder, vies, bah. Een kikkertje schoot weg in het hoge groen. Ik trok schoenen en sokken uit, greep me daarbij vast aan een jonge appelboom die tegen een door klimrozen en blauwe regen overwoekerde muur stond. Waar was ik beland? Ik keek koortsachtig om me heen op zoek naar herkenningspunten.
Ik had het pas door toen ik de tuinkabouter zag – een cadeau dat ik beleefd maar verbijsterd had aangenomen van een emigrerende vriend. In de ene hand hield de kabouter een blik bier, met de andere stak hij een middelvinger op. Door zijn gulp stak iets bepaald niet kabouterachtigs.
Alsnog duurde het even voordat ik het doorhad.
Ik stond in mijn eigen achtertuin.
Maar dit was niet mijn achtertuin.
Mijn vorige week heerlijk strak betegelde achtertuin.
In een ruk draaide ik me om, naar een hoek van de tuin, waar ik tot mijn nog grotere verbazing de groen-rode vogel zag zitten.
‘Wat de hel,’ zei ik weer.
De vogel keek me aan. ‘Dit is een interventie,’ zei hij zogenaamd streng, waarna hij uitbarstte in een hoog, schril gelach.
Ik lachte niet mee.
‘Ik heb je hier gebracht om je te laten zien hoe het óók kan,’ zei hij. ‘Ik bedoel: jij noemt het onderhoudsvriendelijk, wij noemen het verdriet.’
‘Ik…’ begon ik, maar ik wist niet wat ik eigenlijk wilde zeggen. Ik kneep met mijn ogen.
‘Je ogen focussen beter met uitzicht op groen,’ zei hij. ‘Wist je dat? Ik denk het niet. En minder stress, ook dat. Meer creativiteit. Betere nachtrust. Je hebt dat allemaal weggetrilplaat.’
‘Ja,’ zei ik, ‘dat is … dat was …’
‘Groen dempt geluid, wist je dat? Verkeerslawaai, dat gezoem in je hoofd – stil. En als het regent, zakt het water gewoon weg, het wordt opgenomen, in plaats van meteen weggespoeld. Dan heb ik het nog niet over de voordelen van groen als je huis ooit wil verkopen. Maar goed,’ zei hij, ‘misschien heb jij iets anders nodig dan woorden.’ Hij pikte met zijn snavel tegen een zonnebloem. Die draaide loom haar hoofd naar me toe.
‘Ruik hier eens aan,’ zei de vogel. ‘Wat ruik je?’
Eén ademhaling, en ik was terug in tuin van mijn grootouders. Mijn oma, met een schort vol knijpers, hing de was op. Iets verderop floot mijn opa, in zijn altijd bevlekte hemd, vrolijke wijsjes terwijl hij de druivenstruik snoeide. Ik lag in het gras en keek naar wolken, tot ze vanzelf verhalen werden.
‘Vroeger,’ zei ik. ‘Ik ruik vroeger.’
‘Jij ruikt vroeger,’ zei hij, ‘ik ruik de toekomst.’ De vogel wilde nog iets zeggen, maar hield plots zijn adem in. ‘Luister!’ zei hij.
‘Ik hoor niks,’ zei ik.
‘Dan luister je niet!’ zei de vogel. ‘Luister goed! Wat hoor je?’
Ik luisterde. En inderdaad: ik hoorde wél iets. Het ruisen van de bladeren. Insectengezoem. Een plofje, van iets dat op het gras viel. Het geluid van kabbelend water, zelfs. Het was stil in de tuin, maar de stilte was eerder levend dan leeg. Een serene rust kwam over me, als een deken die dik en warm was maar die me tegelijk niet van de wereld afsloot. Alsof iemand de volumeknop van mijn alsmaar voortrazende brein een paar tikjes naar beneden had gedraaid.
‘Het is niet moeilijk,’ zei de vogel. ‘In ieder geval minder gedoe dan die tegels. De natuur, wíj,’ hij wees in het rond, ‘wij regelen onszelf wel. Maar je moet ons daar wel de kans voor geven.’
‘Ik denk dat ik het begrijp,’ zei ik, ‘ik zal …’
De vogel onderbrak me. ‘Als je een stad wil die ademt, een stad waar stilte ook telt, dan moet je klein beginnen. Bij jezelf. Natuurlijk willen we uiteindelijk meer, natuurlijk willen we beleid dat ruikt naar nat gras in plaats van naar drukinkt en papier, maar dat is voor later. Begin hier, bij dat tuintje van je. Als je dat doet, dan zal ik je beloven dat wij,’ weer wees hij in de rondte, ‘die afzichtelijke tuinkabouter van je op de koop toe nemen. En nu, hop-hop, terug!’
‘Ja maar,’ zei ik, maar de groen-rode vogel maakte zich alweer groot. Hij klapte één keer met zijn vleugels, de wind begon te waaien, twee keer en het geroezemoes zwol aan, drie keer en ik kneep mijn ogen stijf dicht.
We stonden voor een haag die uit verschillende soorten gebladerte bestond. In de verte rustte een reiger, een waterhoen.
Ik was terug. Het eerste wat me overviel was een gevoel van grote dankbaarheid, al snel gevolgd door weemoed en het verlangen dat het nog net iets langer had mogen duren daar, in mijn eigen achtertuin.
Schichtig keek ik om me heen. Alles was gewoon doorgegaan, alsof ik niet uit een of ander krankzinnig parallel universum was teruggekeerd. Toch keek een van de gidsen, een ecoloog met vrolijke krulletjes, me net iets te lang aan. Hij glimlachte flauwtjes – en, ik kon me vergissen, het leek alsof hij knipoogde. En terwijl de rest alweer doorliep, op weg naar een rij met oude bomen, bleef ik nog heel even staan.
Keek om me heen.
Ik rook.
En ik luisterde.