De tweede editie van het inspiratie- en netwerkevent over ‘Wat groen Kan Doen’ overtrof de eerste bijeenkomst. Het onderlinge netwerken kreeg op ludieke wijze wat meer ruimte.
Yolanda Vanderheijden, waarnemend bestuurder Stichting Ophovenerhof vertelde over de zorg en het kleinschalig wonen in het groen. Zorgen voor planten en dieren laat zorgcliënten van betekenis zijn voor hun omgeving. Sylvia Spierts-Brouwer, Senior projectleider, IVN Limburg onderbouwde met veel kleurrijke voorbeelden het belang van Natuur- en MilieuEducatie. John van den Berg, senior beleidsmedewerker Fysiek Domein, Gemeente Maasgouw inspireerde met hun participatie-aanpak Maasgouw gaat Biodiverder! Onder het mom ’Natuur begint bij jouw voordeur’. Séverine Louf, van De Rollen lichtte de vergroeningsbloem toe. Haar collega Lianne van Tilburg inspireerde met het verhaal over Hoofd, Hart en Handen. Natuurcoach Petra Konte legde uit wat wandelen in het groen kan losmaken en nam ons mee naar buiten.

Na een heerlijke wandeling vol verwondering sloot schrijver Toon Roumen wederom af met een nieuw verhaal:
Mijn naam is Toon Roumen en ik ben schrijver. Tijdens de bijeenkomst vanmiddag en vooral tijdens de wandeling heb ik me gerealiseerd dat ik onlangs een grote fout heb begaan. Iets verschrikkelijks. Geheel in lijn met het katholieke verleden van de regio waarin wij leven, leek het mij een goed idee om te biecht te gaan. Deze keer niet bij de Heilige Vader, maar bij de Moeder – Natuur. Luister maar.
Moeder, vergeef mij want ik heb gezondigd. Ik ben gekomen om te biechten, om mijn zonden van mij af te werpen in de hoop op een nieuwe start. Ik hoop dat u een mogelijkheid ziet mij te vergeven, want mijn zonde is groot. Maar mijn intentie is zuiver, en aangezien ik ervan uitga dat u goed bent, en niets dan dat, hoop ik dat u de zuiverheid van mijn hart zult erkennen, en mij, ondanks mijn gruweldaad, kunt omarmen met vergiffenis.
Moeder, tot zover de plechtige taal. Want volgens mij spreekt u niet in verheven volzinnen, maar in de taal van het gewone leven. Juist daarom schaam ik me, want ik heb in dat héél gewone leven, iets héél erg stoms gedaan. Deze week zat ik in de tuin met een boek op schoot. Ik kon me maar moeilijk op het verhaal concentreren, want ik werd afgeleid. Niet alleen door de jengelende kinderen van de achterbuurvrouw, ook door een onophoudelijk gezoem – dan eens dichtbij, dan weer verder weg. Hoe meer ik erop ging letten, hoe sneller de irritatiemeter omhoog vloog. Wat was dit? Het duurde even voor ik de bron van mijn ergernis ontdekte: een paar meter bij mij vandaan was tegen de schutting een insectenhotel geïnstalleerd. U kent ze wel: die bouwseltjes van bamboebuizen en dennenappels, die als toevluchtsoord voor verdwaalde bijen en kevers moeten dienen. Toen mijn vrouw er vorige week over vertelde in een van haar buiten van ecologisch enthousiasme, luisterde ik met minder dan een half oor.
Het zal wel, dacht ik.
Na deze wandeling begrijp ik waarom ze het ophing. Zo’n hotel biedt nestgelegenheid aan bijen, die op hun beurt bloemen bestuiven en zo bijdragen aan biodiversiteit in de buurt. Maar het gaat verder dan dat. Wie ruimte maakt voor insecten, maakt ruimte voor de hele natuur. Voor evenwicht. Voor een wereld waarin mens en natuur niet tegenover elkaar staan, maar hand in hand optrekken. Voor een samenleving die oog heeft voor haar omgeving, voor de generaties die nog komen. Duurzaam leven draait immers niet alleen om bomen, bloemen en bijen, maar ook om mensen. Het betekent bouwen aan een wereld die eerlijker verdeeld is, waarin we minder verspillen en meer delen. Waarin kinderen opgroeien met schone lucht en aarde onder hun nagels, waarin door het open raam de lucht van jasmijn binnen komt waaien in plaats van die van tien bezorgscooters. Het betekent samenleven met aandacht – voor elkaar, voor de wereld, voor alles wat leeft.
Met het ophangen van het insectenhotel, een klein maar belangrijk bastion van hoop, had mijn vrouw volmondig ‘ja’ tegen het leven gezegd.
Moeder. Na vanmiddag begrijp ik dit. Maar eerder deze week nog niet. Toen dacht ik: wat ís dat hier voor een herrie? Léuk, zo’n insectenhotel. Léuk voor mijn vrouw, léuk voor al dat vliegend verkeer – niet léuk voor mij. Mijn zuurverdiende moment van ontspanning werd er grondig door verziekt. En in plaats van dat ik besloot van het geluid te genieten, desnoods ergens anders te gaan zitten, besloot ik tot een rigoureuze actie.
Moeder, ik durf het bijna niet te zeggen. Maar in een biecht moet je eerlijk zijn dus ik zal mijn hart luchten. Moeder, ik stond op, trok dat hotel van de muur, en bleef even besluiteloos met het ding in mijn handen staan. Wat moest ik hier nu eigenlijk mee? Toen bedacht ik me ineens dat er misschien nog bijen in zaten — waarop ik in een soort haastige huppelpas naar de groenbak bewoog en het hele gevaarte erin mikte.
Deksel dicht, boekje weer open.
Moeder, de natuur. Ik dacht dat dat iets was waar je naartoe op vakantie gaat. Geen moment kwam het in mij op dat je er niet voor hoeft te vertrekken, omdat het er al is. Hier en nu, vroeger en in de toekomst. Om me heen, maar ook in mezelf. Op de sporadische momenten dat ik naar mijn natuurbewustzijn werd gevraagd, antwoordde ik: ‘Daar ben ik zeker mee bezig! Ja! Ik scheid mijn afval! Zeker! Behalve als ik haast heb. Of als ik moe ben. Of als ik honger heb. Op zondagen doe ik het in ieder geval altijd. Of ja, meestal.’
Maar na vandaag is dat anders. U was erbij, u heeft het gezien. We liepen door het groen, langs velden met brandnetels, hop-tjop over een sprinkhaan, een blauwe reiger aan de waterkant. Links en rechts en voor en achter hoorde ik hetzelfde gezoem waar ik me eerder nog aan ergerde – maar met de informatie van eerder vandaag klonk het nu als een zachte symfonie, elk lijfje een instrument.
Een orkest met een onzichtbare maar aanwezige dirigent.
U, moeder.
En ineens vlogen mijn gedachten naar dat hotel, thuis in de groenbak.
Ik had een grote zonde begaan. Alsof ik midden in een levendige stad het appartementencomplex voor jonge gezinnen had gesloopt.
Moeder. Ik beloof niets groots. Maar volgens mij hoeft dat ook niet. Verandering begint klein. Met kijken, luisteren. Met even stil zijn bij een struik, met een loep in de hand onderzoeken wat er leeft tussen de blaadjes van een heg. En ook: gewoon even niets doen. Stilstaan, denken aan al het leven dat je omringt. Zien wat u voor ons in petto heeft.
Misschien is dat wel het belangrijkst. Na vandaag zal ik u proberen te zien als een uitnodiging, tot aandacht, tot vertraging. Tot verbondenheid.
Als ik straks thuiskom, vis ik het insectenhotel uit de groenbak. Het is slechts een klein gebaar, maar volgens mij is dát juist waar de grote verandering mee begint.
Ik dank u wel.